Zondag 10 februari, Nehemia 1 2, 10, en Matteüs 4: 1-11 |
|||||
|
Nehemia is schenker aan het hof, ver van Jeruzalem. Zijn land is bezet. Ondertussen is het niet goed met de achterblijvers. Of eigenlijk zijn het geen achterblijvers: het zijn ballingen die al zijn teruggekeerd. Toen de koning van Babel door de koning van Perzië verslagen werd braken er gunstiger tijden aan voor Israel. Het land dat vernietigd was kon voorzichtig weer opgebouwd worden. Sommigen gingen terug, lezen we in het boek Ezra. Maar sommigen ook niet. Zij bleven liever in Babel misschien, liever dan voor het onzekere leven van remigranten te kiezen, terug naar een verwoest land, waar vreemdelingen hun huizen in bezit hadden genomen, en hun gewoonten hadden geïntroduceerd. Het lijkt erop dat Nehemia zich pas realiseert, als zijn broer hem verslag komt doen van de situatie in Israel, dat het iets met hem te maken heeft. Hij geniet ineens veel minder van zijn comfortabele situatie aan het hof. En keert hij zich ook weer tot God. Tenminste… we weten niet of hij al die tijd daarvoor, in ballingschap, wel gebeden heeft. Waren de rituelen, van het gebed, misschien weggezakt? Was het verlangen naar Jeruzalem, de plek waar de tempel staat vervaagd? Was het verlangen helemaal weggezakt? Had hij God nog nodig, in zijn positie? Nehemia spreekt in het gebed schuld uit en dat past echt in de 40 dagen, de vraag: wat hebben wij met onze band met God gedaan, hebben we daar aan vastgehouden, hebben we daar invulling aangegeven, meer diepte, of hebben we het een beetje laten sloffen, is het niet gelukt … is de aandacht voor God vervluchtigd… Nehemia ziet het zo, dat hij en zijn volk de geboden van God, de richtlijnen voor het leven met elkaar en God teveel hebben losgelaten. En dat heeft consequenties gehad. Ze hebben hun leven zo ingericht dat er voor God weinig ruimte meer was. En dat zorgde voor verwijdering, en dat heeft hun leven drastisch veranderd. Ze zijn letterlijk en figuurlijk ver van huis geraakt. Nehemia bidt en vast. Maanden lang heeft hij nodig, om te weten wat hij moet doen. Hij bezint zich op zijn opdracht. En verzamelt moed. En vertrouwen. En hoewel hij geen antwoord krijgt, tòch gaat hij met het gevoel dat God met hem meegaat…. Tenminste, dat denk ik. Zo gaat dat toch soms, als je bidt… je krijgt geen antwoord en tòch, krijg je ergens wel antwoord, zonder woorden. Hij gaat naar de koning en krijgt de zegen mee, om te gaan. Om zijn volk te helpen om te gaan bouwen. Aan een hernieuwde stad, en een nieuwe gemeenschap. Rond de tempel, rond Gods huis. Er zitten overeenkomsten tussen Nehemia en Jezus… die 40 dagen en nachten vast in de woestijn, voordat hij zijn taak op zich neemt. De woestijn… een plek van afwezigheid.. daar trekt Jezus zich terug. Een plek waar niets afleidt. Ik weet niet of iemand van u, van jullie wel eens geprobeerd heeft om te vasten, of in het klein: om jezelf iets te ontzeggen minder eten, andere dingen laten waar je anders snel naar grijpt, je toevlucht toe neemt. Het geeft, denk ik, een soort helderheid, als je vast. Er komt meer ruimte voor wat werkelijk van belang is. Daarvoor moet je heel wat verleidingen weerstaan, dagelijks. Aan Jezus in de woestijn zien we, dat het er vooral om gaat, om jezelf niet groter te maken te willen maken dan je bent. Niet méér te willen zijn dan je bent macht, rijkdom, God zelf die je op handen draagt… We zien hoe Jezus die verleiding weerstaat om macht en geweld te hulp te roepen; hij gaat het lijden niet uit de weg, hij deelt ons leven en lijden, ons mensenleven, dat soms door de woestijn gaat. Bidden en vasten het zijn de thema’s die horen bij deze eerste zondag van de veertigdagen tijd. De thema’s die passen bij de tijd die bij de katholieken vasten-tijd heet. Zoals Nehemia een tijd in zak in as zit, en die tijd neemt, voor hij tot handelen overgaat… zo is deze tijd voor pasen een tijd van volle aandacht voor lijden en verdriet de volle aandacht. Een tijd waarin we dat niet wegstoppen, maar ‘recht in de ogen kijken’, aandacht voor wie ‘op de puinhopen zit’. In die zin is het een andere voorbereidingstijd dan die voor Kerst, al is de liturgische kleur, het paars van de inkeer hetzelfde. Advent is meer verwachtingsvol uitkijken, waarbij het licht steeds aanwezig is. In de tijd voor Pasen is er meer donker. Maar het licht van de opstanding is dan wel extra licht.. het licht dat geen duisternis kan doven is de kern van ons geloof. Vanuit de bezinning op het lijden, vanuit het kyrie komt er ook iets anders: de ‘drive’ om op te bouwen. De tranen zijn meer dan alleen tranen, vanuit het besef van wat verdriet is, en wat het mensen kan doen, ontstaat er een heel sterke motivatie om te gaan handelen. Kracht komt uit de nabijheid van onze God. Nabijheid in het lijden, èn in het bouwen. God vraagt van ons niet dat we onvermoeibaar doorgaan met handelen hij is óók nabij als verdriet hebben en daar niet zomaar uit kunnen opstaan. Hij is bij ons als we bidden om hulp, als we het niet meer zien zitten… als we in zak en as zitten en niet vooruit kunnen. En als de tijd komt dat we wel kunnen opstaan, als de kracht terugkomt, zelfs om anderen tot steun te zijn. We hebben soms een periode nodig, van stil zitten, alles laten bezinken tot jezelf komen… en tot God… ruimte maken voor God en het verlangen…wachten tot je als het ware een stem hoort, of van binnen voelt waar je heen moet, rust vindt en een keus kunt maken… Deze dagen voor Pasen, 40 dagen (als je de zondagen niet meetelt), zijn dagen van bezinning. Bezinning op lijden, en bemoediging - bemoediging voor wie temidden van puinhopen zitten. En het is tijd van voorbereiding op opbouw, het bouwen aan gemeenschap, inzet voor een betere wereld. Niet vergeten bemoedigen om te kunnen opstaan en bouwen… Moge het zo zijn, dat we zo op weg gaan, met onze God. |
|||||
|
|||||