Paasmorgen 11-april 2004 |
|||||
|
Tekst: Johannes 20: 1-18 en 1 Korinthe 13: 8-13 Daar staat Maria, in de graftuin. Ze is intens verdrietig. Ze heeft iemand verloren die haar had geraakt. Die haar houvast gaf. Van wie ze zoveel geleerd had. Iemand die ze nodig had, om te geloven. En hoe nu verder… Daar staat ze bij het graf. En opeens is er iemand die vraagt waarom ze huilt. Iemand die wil weten hoe het met haar gaat. Het dringt nog niet helemaal door. Waar moet ze beginnen met vertellen..? Maar dan zegt hij haar naam… en het gaat recht naar binnen, opeens herkent ze hem.
Hij is opgestaan, Jezus is opgestaan, opgestaan uit de kou van de dood. Het graf dat potdicht zat is open gegaan…. Het kwaad dat hem naar zijn einde dreef, dat onafwendbare kwaad, dat hij niet afweerde… dat wàs niet sterker dan hij. Opeens is het licht om haar heen, in de schemer van die morgen is opeens het licht doorgebroken. Maria maakt hier eigenlijk een bekering mee. Op het moment dat ze haar naam hoort is opeens alles anders. Opeens is er opstanding mogelijk is, opstanding uit haar verdriet. Opstanding uit het kwaad dat even leek te hebben gewonnen. Opstaan en leven gaan….. het leven weer met vertrouwen tegemoet treden, dat kan ze nu weer. Hier wordt het verhaal van de opstanding een verhaal dat niet op een afstand van twintig eeuwen blijft. Toen in die graftuin, ver weg. Hier gaat het over ons allemaal. Over ons, mensen die soms de ogen vol tranen hebben. Mensen die niet goed weten welke kant het op moet. Mensen die moe zijn, de moed verloren. Mensen die alleen worstelen. Mensen die vaak, ten diepste, op zoek zijn naar iemand die ziet wie je bent en waar je mee worstelt. In Maria kunnen we ons allemaal herkennen. En dan is er die stem. En die stem roept jouw naam. Niets anders, niemand anders: jouw naam. Je bent niet anoniem, onzichtbaar, onopgemerkt, een van de velen: jij, juist jij, wordt aangesproken. Je naam wordt best vaak genoemd, maar dit is bijzonder: iemand die zich omdraait en je roept en je voelt: het gaat om mij, die ander heeft mij echt zien staan. Er klinkt iets in die stem, wat je raakt.
Zo staat het ook in Jesaja 43,1: ‘Ik heb u bij uw naam geroepen, gij behoort mij toe.’ Je hoort bij mij. Dat hoor je in die stem. In de manier waarop hier een stem klinkt, de manier waarop je naam wordt uitgesproken klinkt liefde door. Geloof, hoop en liefde. Voor Paulus in 1 Corinthe 13 is dit het enige dat nooit voorbij gaat. Dat zijn eeuwige waarden, die niet vluchtig zijn. Wat is van deze drie het belangrijkste? Paulus zegt het zelf al: de grootste is de liefde. En dat is ook het wezen van Christus’ sterven en opstanding: liefde tot het uiterste, liefde die uiteindelijk sterker blijkt dan de dood. Maar kan dat zonder geloof, zonder hoop? Geloof zou ik nader willen omschrijven als: vertrouwen. Het gaat niet om geloofswaarheden, om weten en kennen, het zit niet alleen hier, in je hersenen. Het gaat om de beweging van vertrouwen, van alles wat je hebt. In beweging komen, je toevertrouwen aan iets wat je niet zeker weet, maar waar je toch op wilt bouwen. Dit vertrouwen is cruciaal. Zonder vertrouwen zit je vast in jezelf, blijf je vastzitten in de pijn die je ooit is aangedaan, in beelden van jezelf die je in de weg zitten, in te hoge verwachtingen, in teleurstelling…. Zonder vertrouwen is er geen openheid, voor liefde, voor een ander. Zonder vertrouwen vindt de liefde geen toegang. Geloven, vertrouwen heeft te maken met je steeds weer laten roepen bij je naam, door onze God. Je steeds weer je omdraaien als hij je roept, en je toevertrouwen aan het andere, het nieuwe wat God in zich bergt, ongekende liefde. Het gaat om je toevertrouwen aan iemand anders, aan die Iemand met een hoofdletter. Je open stellen. Voor de liefde. Voor God die zegt: ik heb je naam geroepen, je hoort bij mij. Liefde betekent dat je iemand niet van een afstandje bekijkt, onverschillig, zonder dat het jezelf raakt - je bent verbonden, betrokken, je zit er aan vast, met allerlei banden. Liefde betekent dat de ander bij je binnengekomen is, een plek heeft gekregen in je hart, deel van jou daarmee is de onverschilligheid, de afstand weg. God kijkt niet naar ons van een afstand; hij verbindt zich met ons. Ons lot raakt de Eeuwige, hoe gek dat ook klinkt. Hoe ongelooflijk ook. We staan niet alleen, er loopt een lijntje, een heel stevige verbinding naar de Eeuwige.
Zo vraagt hij ons ook te leven: niet naast en op afstand van elkaar, maar verbonden, de ander binnenlaten. Voor elkaar iets zichtbaar maken van God misschien…
En dan is er nog de hoop. Die vertelt ons, dat ooit die liefde helemáál door zal breken. Dat we nu een klein voorproefje krijgen. Als we ons gezien, bemind voelen door iemand, iemand die dichtbij komt, dat is een klein kijkje in de hemel. Als we heel even voelen hoe God van ons houdt, op wat voor manier dat dan ook tot ons doordringt. De hoop draagt de liefde, omdat er ook momenten zijn dat er even niets van terechtkomt. Momenten waarop het koud is, waarop je afstand voelt, je niet door kunt dringen tot de ander. Momenten waarop God zich lijkt te hebben teruggetrokken in zijn hemel, heel ver weg. Dan is er alleen nog het vertrouwen, het geloof over, dat de band niet zomaar kan worden verbroken. En de hoop dat de warmte weer terug zal keren, dat je hart weer verwarmd zal worden. Vertrouwen en hoop op de liefde. De opstanding spreekt van liefde, het barst eruit als het ware, het kan niet tegen gehouden worden. God die niet loslaat maar vasthoudt over alle grenzen heen. Dat is de basis waarop wij kunnen vertrouwen, vertrouwen hebben in het leven. Dat is de basis waarop wij kunnen hopen, hopen op het volmaakte. God komt ons tegemoet met open armen. Laten we ons laten roepen bij onze naam. |
|||||
|
|||||