Overweging 24-april 2005

Tekst: psalm 16 en Mattheüs 28: 16-20

Psalm 16, een gebed uit lang vervlogen tijden, of misschien was het wel een lied… we weten niet of het hardop gebeden werd, gezamenlijk in de tempel, of thuis, misschien bij het eten. Kenden mensen het uit het hoofd, in de tijd van Israël Kende Jezus deze psalm ook? Hoe dichtbij staan wij bij de ervaring van de psalmdichter, waarvan we niet meer kunnen achterhalen wie het was, en wat de ervaring was waaruit dit gedicht voortkwam.

Er spreekt een groot godsvertrouwen uit. Afhankelijkheid, zo klinkt het ook. Deze bidder weet zich afhankelijk van God. En ervaart daarin de nabijheid van de Eeuwige.

Wat zou de achtergrond zijn van dit godsvertrouwen? Wat heeft deze bidder meegemaakt dat zij of hij zo overtuigd is geraakt van Gods hulp?

Uit heel veel van de psalmen spreekt een ander mensbeeld en godsbeeld dan wij kennen. Deze mens is niet de zelfredzame, financieel en anderszins onafhankelijke mens van nu. Dat ideaal is hier ver weg. Deze mens wordt van alle kanten belaagd door gevaren. Deze gevaren nemen de vorm aan van menselijke figuren, van vijanden die de mens bedreigen. Het gevaar komt vooral van buiten. Het gaat de krachten van de mens te boven, en wat kan deze anders doen dan de hulp van God inroepen…. Hij beschikt niet over een andere toevlucht. Hij heeft niets anders dan op terug te vallen, in een onveilige wereld.

Herkennen wij dat? Zijn wij ook zo overgeleverd aan de spelingen van het lot, aan gevaren van buitenaf? Veel minder waarschijnlijk dan tijdgenoten in andere delen van onze wereld… die de ervaring van afhankelijkheid op alle terreinen van het leven nog wèl kennen. Daar waar er wel vijanden zijn, die elk moment je dorp in kunnen komen, dood en verderf zaaiend…

Toch worden wij er soms ook opeens in ondergedompeld, in die ervaring van alles-is-mij-uit-handen-geslagen, ik heb geen controle meer over mijn leven. Door ziekte weet je je opeens héél kwetsbaar en onzeker. Als je iemand verliest, dan kun je je greep op het leven verliezen.

Maar het is niet de dominante stroming in onze westerse cultuur. Dat is er één van zelfredzaamheid, van autonomie. Van ‘ik kan op eigen benen staan’, van het ideaal van ‘sterk, jong en geslaagd’.

Wat is waar? Zijn wij als mensen afhankelijk, doet het leven met ons wat ze wil, is het God die over ons beschikt? Of hebben we zelf iets te kiezen? Hebben we zelf het heft in handen?

In hoeverre kiezen wij onze eigen weg door het leven? Of overheerst het gevoel dat de belangrijke dingen ons overkomen… dat wij gekozen worden, op weg worden gezet?

Je kunt spreken van 2 heel verschillende beelden voor de relatie tussen God en mens. Twee heel tastbare beelden. De ene is het beeld uit de Sixtijnse kapel in Rome, van God en Adam die naar elkaar reiken, maar elkaar net niet raken, hun handen strekken zich uit naar elkaar.

En dan is er het schilderij van Rembrandt, waarop de vader de verloren zoon in de armen sluit. De afstand is helemaal overbrugd en er is geborgenheid.

Bij welk beeld voelen we ons het meest thuis? Wat zoeken we bij God: is het een God die ons in zijn armen sluit, ons veiligheid biedt, ons draagt? Of een God die ons de ruimte laat om op eigen benen te staan? Die zich steeds onttrekt aan ons bevattingsvermogen, te groot voor ons begrip? Een God die ons onze eigen weg laat zoeken hier op aarde, die alleen het verlangen in ons wekt om zijn kant op te gaan….

Zoeken we afstand of nabijheid? Willen we op eigen benen staan? Of verlangen we ernaar om gedragen te worden? En verschilt dat misschien op verschillende momenten van ons leven?

Schuilen bij God… wie heeft er nou geen behoefte aan een schuilplaats, een plek om op adem te komen. Het zou best kunnen dat wij, meer dan de psalmdichter, daarbij vooral denken aan een groep mensen, waarbij we ons veilig voelen, geaccepteerd, geborgen. Gods nabijheid voelen we niet zo gemakkelijk als we helemaal alleen zijn, heel direct en individueel… maar we ervaren Gods nabijheid vaak door de aanwezigheid van anderen, die ons laten merken dat we er mogen zijn, dat we goed zijn zoals we zijn.

Gedragen door God of op eigen benen? Afhankelijk of zelf verantwoordelijk? Kiezen of gekozen worden?

De waarheid ligt natuurlijk in het midden. Er is een beweging nodig van 2 kanten, en dat wordt mooi samengevat als je zegt ‘de mens is een verantwoordelijk wezen’… antwoorden, dat is wat we doen, dat is waar het om draait. Antwoorden op wat ons wordt aangereikt. We hebben de vraag, het verlangen niet zelf bedacht, niet zelf gemaakt. Maar het is wel onze keus of we ervoor kiezen om te reageren, er op in te gaan. We zijn afhankelijk van Gods initiatief, maar vrij in onze reactie.

Ons geweten laten spreken, kiezen voor de liefde die ons wordt geboden. In die keus van het hart ontmoeten God en mens elkaar.

Ds. Rebecca Onderstal