|
Tekst: Jona 3
Jona: je zou het een ‘sprookje’ kunnen noemen, een ironisch sprookje over een held die bepaald geen held is.
God roept Jona, en vraagt hem eigenlijk om iets te doen tegen het kwaad in de wereld. Het kwaad dat ten hemel schreit, dat ongetwijfeld slachtoffers maakt, dat moet hij bestrijden. Door zijn stem te verheffen en te laten horen wat God er van vindt.
Een gewoon mens maar wel één die door God wordt aangesproken… dat is niet zo gewoon! Jona is een profeet logisch dat hij door God wordt aangesproken. Maar dat staat ver van ons af. Of niet? Jona heeft een roeping, maar geldt dat niet voor elk van ons? Zijn we niet allemaal op onze eigen manier geroepen, om iets te maken van ons leven, om iets te betekenen, zodat het verschil maakt of we er wel niet zijn, hier op aarde?
Jona gaat op de loop voor zijn roeping… God wil hem naar Ninivé hebben, maar Jona gaat precies de andere kant op. Hij stapt op een schip, en trekt zich terug in de verste uithoek van het schip om te slapen. Hij sluit de wereld buiten. Hij wil de consequenties niet trekken van zijn geloof, geen daad bij het woord voegen. God roept om het woord bij de daad te voegen je moet het kwaad aan de kaak stellen!! Dat hoort bij geloven, dat je het kwaad niet uit de weg gaat, maar je stem verheft. Maar Jona is bang, of onverschillig… Er zal best verschil zijn tussen goed en kwaad.. maar ik ben niet
degene die daar iets aan gaat doen, ik kan het niet. Is hij bang, heeft hij goede reden om te twijfelen aan zichzelf… we weten het niet.
Het verhaal laat wel duidelijk zien dat zijn vlucht Jona geen goed doet alle beelden wijzen erop dat hij daarmee niet echt meer leeft. Hij vlucht voor het leven. Hij wil ook niet anders lijkt het. Als het schip in de storm terechtkomt en hij door de zeelieden hardhandig wakker wordt geschud, dan kiest hij voor de diepte van de zee. ‘Gooi mij maar overboord!’ Waarom liet hij zich eigenlijk in zee werpen was er geen andere manier geweest om de storm te stillen? Had hij niet kunnen zeggen ‘Goed God, ik doe wat ik moet doen, ik ga naar Ninevé’ in plaats van ‘Gooi me maar overboord’…. Ook dat lijkt nog een vlucht van Jona doe mij maar weg, overboord, dat is het beste als ik maar niet mee hoef te doen…
Pas als hij in de vis zit komt er inkeer, bezinning. Drie dagen in het donker, afgesloten… Hij kan niet meer weglopen, hij zit opgesloten. Accepteert hij nu eindelijk zijn lot, de weg die hij gaan moet? Hij wordt gered; God zelf zet hem op het strand. En hij keert om, de kant op die God wil een bekering. Hij moet zijn stem verheffen en hij gáát, naar Ninevé.
Maar dan.. Jona slingert zijn boodschap de stad in, die grote en slechte stad… een echte onheilsprofeet. “nog 40 dagen, dan wordt Ninivé weggevaagd” … ondersteboven gekeerd. Het is onafwendbaar: dit is waar het kwaad van deze mensen toe leidt het leidt tot de ondergang. Of toch niet? 40 dagen… als je goed luistert zit daarin een kleine opening. 40 dagen staat altijd voor bezinning, voor een periode van inkeer, tijd om je weg te vinden. Het volk Israel was 40 jaar in de woestijn, Jezus ook als voorbereiding op een leven met God. Zou er hier ook nog beweging in zitten?
Jona rekent er niet op. Hij gaat er eens goed voor zitten. Langs de zijlijn, op veilige afstand van de stad gaat hij kijken, tot het spektakel losbarst lijkt het wel. Maar intussen zijn de bewoners van Ninevé zich in sneltreinvaart aan het bekeren. Het lijkt gek, maar uit zichzelf weten ze wat ze moeten doen, en van wie ze hulp moeten verwachten. Jona heeft Gods naam niet genoemd. De mensen zien zelf in, dat ze zich steeds op de verkeerde dingen hebben gericht.
Ze hebben meer vertrouwen in Gods ontferming dan Jona die zit klaar voor de ondergang. Hij twijfelt er niet aan: ‘boontje komt om zijn loontje’. Hij zit daar 40 dagen, en wacht. Maar er gebeurt niets. God heeft zich blijkbaar bedacht. Maar dat maakt Jona niet gelukkig, in tegendeel. Nu komt het kwaad in Jona zelf om de hoek kijken…. Hij wordt kwaad… kwaad omdat God liefde, genadig, geduldig, trouw en vergevingsgezind is… Dit is een sterk staaltje ‘wij-zij’ denken. Het kwaad is daar, bij hen, en het moet gestraft worden. Jona zelf zit op een afstandje toe te kijken, alsof het hem niet raakt. Alsof hij zelf niet net door God gered is. Alsof hij zelf niet net alle mogelijke moeite gedaan heeft om niet te doen wat God vroeg.
Dan is daar de wonderboom. Weer zoiets wonderlijks. Jona is vreselijk kwaad omdat God vergevingsgezind is, en God laat een boom groeien. Om hem een beetje af te laten koelen, een plek te geven om weer rustig te worden. Het werkt.
Die boom is net als Gods ontferming: hij beschermt mensen die het niet altijd verdienen. Maar Jona vindt het vanzelfsprekend…. Tot de boom verdort. Dan wordt hij kwaad en geeft de moed op; opnieuw wil hij niet meer leven.
Zou hij het uiteindelijk snappen? Dat een mens niet kan zonder Gods ontferming, zijn schaduw als bescherming tegen het onbarmhartig licht waarin aan het licht komt wat kwaad is, ook in jezelf. Zonder de schaduw van Gods vergeving houdt de mens het niet vol, valt er niet te leven.
Maar die vergeving ook gunnen aan een ander aan degene die je net in het vakje ‘kwaad’ had ingedeeld…. Ook je vijanden gunnen dat ze onder de boom van Gods mededogen mogen zitten… dat is niet eenvoudig.
Jona: eerst op de vlucht voor zijn roeping, daarna op zijn gemak langs de zijlijn. Dit verhaal wil ons duidelijk maken dat dat niet de manier is. Onze roeping is om onze mond open te doen en te zeggen wat goed is en wat niet, en daar niet voor op de loop te gaan. Niet onze ogen sluiten, hoofd diep onder de dekens zodat dat je maar niet ziet wat er om je heen gebeurt. Niet weglopen voor je verantwoordelijkheid. Maar roepen wat verkeerd en kwaad is is niet voldoende het gaat om het doen van het goede. Niet denken in ‘wij - zij’, met de vinger wijzen, maar weten van het kwaad in ons allemaal. En weten van de boom van Gods mededogen, en elkaar daar een plekje in de schaduw gunnen. Die boom die nooit verdort.
|
|