Zondag 8 april 2007, Paasmorgen, overweging bij Johannes 20,vers 1-18
|
|||||
|
Er zijn 4 verschillende versies van het verhaal van de opstanding. De versies van Matteüs, Marcus en Lucas lijken het meest op elkaar. Het evangelie van Johannes vertelt het verhaal anders. Hier geen hemels bericht, geen engel die de onbegrijpelijke boodschap brengt, dat Jezus is opgestaan. Bij Johannes zijn er ook engelen, maar die stellen Maria alleen een vraag. ‘Waarom huil je’? En dan is Jezus er zelf… en ook hij legt haar niet uit hoe het zit, maar stelt opnieuw vragen. ‘Waarom huil je’ en ‘Wie zoek je’…. Johannes kijkt niet met de ogen van een engel, die het wonder van de opstanding wel begrijpt, maar met de ogen van de mens, die het nog helemaal niet kan volgen. Wie denkt er ook aan opstanding uit de dood? Wie verzint zoiets..? Maar hij roept haar naam. En dan, het volgende moment, staat ze overeind. Hij is niet dood, want hij is hier, ik ontmoet hem.
God is een levende werkelijkheid ook dat is niet iets wat je verklaren of uitleggen kunt het is waar omdat je God ontmoet, alleen daarom… omdat je God ontmoet, op wat voor manier dan ook… je wordt geraakt, je komt er niet van los …of een poosje raakt het je helemaal niet, maar dan tòch weer…. Er is geen rechte weg naar de paasjubel, naar het geloof in de opstanding. Tenminste, voor de meeste mensen niet, denk ik. Cirkelen om het geheim, dat is het eigenlijk… en al zoekend en denkend en houvast zoekend steeds iets dichterbij komen… en soms ben je opeens weer veel meer op afstand …. Soms lijkt het of we dichtbij de kern van ons bestaan zijn en dan weer gaan we er verder vanaf. Soms heb je het gevoel dat je je dicht bij je bestemming, dicht bij God weet, en soms heb je het idee daar helemaal weer van af te buigen. Cirkelen om het centrum van ons leven: God’s liefde die al het donker overwint we weten dat het er is, maar vaak verliezen we het uit zicht. We hebben gehoord en geloven dat Jezus de weg gevonden heeft, dat hij ons voorgaat en meenemen wil. Hij wijst ons de weg, hij heeft die gebaand. Maar er is geen rechte weg, naar dat centrum. We dwalen door de woestijn en vinden daar een enkele bloem die bloeit, we zien een zonsopgang en weten weer even dat God niet ver weg is, we worstelen met waarom vragen als we zwervers zien, we laten God de Vader wachten terwijl we onze eigen wegen gaan… Maar het labyrint is geen doolhof, bedoeld om je te misleiden en in de war te brengen. Er is maar één weg, en die weg komt uit in het midden, het stille midden waar het licht is. Je kunt niet verdwalen op je weg. Het vraagt alleen tijd en aandacht. Je wordt geleid naar je bestemming. Het labyrint kun je steeds opnieuw lopen. Telkens weer op zoek naar de kern van je bestaan. En als je in het midden aangekomen bent, dan ga je ook weer de weg terug naar buiten. Als je de vreugde gevonden hebt, dan heb je handen vol om daarmee de wereld in te trekken. |
|||||
|
|||||