Overweging Pinksteren 2006

Tekst: Handelingen 2 en Hooglied 4

Het spiegelbeeld van het verhaal in Handelingen is eigenlijk het verhaal van Genesis 11, de toren van Babel. Weet u het nog, ziet u het voor zich? ………..

De mensen van Babel bouwen een toren, een soort veroveringstoren, om de hemel te bestormen… ze willen zo dicht mogelijk bij God zijn, de Eeuwige aanraken, vastpakken liefst. Nèt zo groot zijn…

Dan grijpt God in, vertelt het verhaal, want de Eeuwige vindt dit geen goed plan. De mensen zijn geschapen om de aarde te bebouwen, om zich te verspreiden om voor de aarde en elkaar te zorgen zoals God vroeg. Niet samen op een kluitje een toren naar boven bouwen. De spraakverwarring die ontstaat zet ze weer met beide benen op de grond. En ze verspreiden zich, en spreken allemaal hun eigen taal.

En dan in Handelingen 2: volken komen van alle kanten, ze trekken op naar Jeruzalem, op de berg. Want het is feest in Jeruzalem, het oogstfeest. En dan, als ze zo bij elkaar zijn vindt het omgekeerde plaats: iedereen verstaat elkaar weer! Ze horen allemaal spreken in hun eigen taal.. De spraakverwarring van Babel wordt opgeheven! Waarom… om opnieuw een toren tot in de hemel te bouwen? Nee, God zelf raakt de mensen aan, dus ze hoeven niet meer de hoogte in. Opnieuw is verspreiding het doel, verspreiding van het goede nieuws, van Gods liefde, over de hele aarde. Met één stem klinkt het, voor iedereen verstaanbaar: ‘onze God leeft en raakt ons aan’ en dat nemen al die mensen mee terug naar huis – hier begint de verspreiding van het evangelie.

De hemel kunnen we niet bestormen, om God aan te raken. Er zit niets anders op dan te wachten tot we geraakt worden, aangeraakt door Gods Geest. Zoals de leerlingen doen in Jeruzalem.

Er zit niets anders op… nee, sterker nog, het is absoluut niet de bedoeling dat we zelf proberen God vast te pakken. De kern van het geloof, van wie God is, is dat we zijn liefde ontvangen, door hem worden aangeraakt, dat het initiatief van de Eeuwige komt, en dat Hij ook volhoudt, om naar òns toe te komen… als wij allang ontmoedigd zijn, moe van het wachten, verblind, koppig, afgeleid, te druk… met het bouwen van onze eigen torens.

Wachten….. op een vonk die overspringt, wachten tot we misschien wel ‘in vuur en vlam’ komen te staan, vol van vreugde over de liefde van God.

Die vonk die overspringt vanuit de hemel, van God naar de mens, of andersom misschien… dat is het werk van Heilige Geest. Waardoor die verre God ons in het hart raakt..

Zonder goed te snappen hoe dat kan wordt je geraakt, warm van binnen, voel je je niet alleen…. Het Hooglied is eeuwenlang óók gelezen als een gedicht over die liefde tussen God en mens, over het zoeken, vinden, weer verliezen, het verlangen en de vreugde van het vinden, en de pijn van het gemis…

Verliefdheid is óók wat er gebeuren kan tussen God en mens – iets onbegrijpelijks, zonder gezonde, redelijke verklaring, iets waar je warm van wordt en houvast in vindt, wat het leven mooier maakt… waardoor je je een ander mens voelt, jezelf niet terugkent, gaat zingen en dansen… (zo klinken mensen ook na een bekeringservaring, in een programma als ‘God verandert mensen’) Het slaat in als een bom, dat je opeens beseft dat iemand van je houdt.

Kenmerk van die vonk is, dat het zich niet laat sturen…. Liefde laat zich niet organiseren. Je kunt er wel voor openstaan, op wachten, ruimte voor maken. Zonder garanties dat er iets gebeuren zal. Degenen onder ons die wel eens een ongelukkige, onbeantwoorde liefde hebben meegemaakt weten wel hoe dat voelt. We lezen het ook in het Hooglied, hoe de liefde vele kanten kent. We lezen over de geliefde die haar lief kwijt is – als God die de mens zoekt, of de mens die God niet vinden kan…. Verwijdering, eenzaamheid, God die verborgen lijkt, afwezig zelfs. “De donkere nacht van de ziel” zo beschreef een mysticus in de Middeleeuwen, een heel gelovig mens dat. De ervaring van verlangen naar een Gods aanwezigheid, en op jezelf teruggeworpen worden. God laat zich soms zo moeilijk begrijpen, vinden door ons.

Soms lijkt de liefde uitgedoofd – in ons in ieder geval. Je voelt er weinig bij, bij het geloof. De vonk verdwenen, de woorden raken je niet – zoals je in een relatie één en al onbegrip kunt zijn voor elkaar, alsof je een andere taal spreekt…. Van die momenten waarop je je helemaal geen behoefte hebt aan liefdesgedichten als in het Hooglied, waarin zoveel moois over de ander wordt gezegd….

Hoe blaas je de liefde weer nieuw leven in – dat kun je niet dwingen… die vonk kun je niet dwingen.

Wat doen de leerlingen, in afwachting van die vonk … Ze wachten en bidden. Ze oefenen geduld. Als een geliefde die het niet opgeeft, al komt er geen enkel teken van de andere kant…

Een ervaring als die van de leerlingen in Jeruzalem, van vuur, enthousiasme, omkeer, herkennen wij dat? Een ervaring zoals in het Hooglied beschreven – liefde die inslaat als een bom…

Hebben wij behoefte aan zo’n ervaring? Is het voor iedereen weggelegd?

Past dat wel bij ons, bij ons karakter, bij onze tijd, onze cultuur? Is dat niet iets voor ‘pinksterkerken’ (de naam zegt het al) van zwarte amerikanen of afrikanen – die zit het enthousiasme veel meer in het bloed…

Nee, op zo’n afstand moeten we dit verhaal niet houden, denk ik. Het gaat óók over ons. Er is vast voor ieder van ons een vorm van enthousiasme die bij ons past. God die ons kent dringt ons niet iets op wat ons volkomen vreemd is; hij spreekt daarbij wel een taal die we verstaan… Om ons iets nieuws aan te bieden, op nieuwe wegen te zetten, raakt hij ons aan waar we zijn…

We kunnen God niet veroveren, vastpakken..

We kunnen ons wel door hem laten veroveren, heel in het klein…

Door alles wat we weten, zeker denken te weten, wat we begrijpen en verwachten heen, kunnen we ons laten overvallen, door wat ons verrast, ons van ons stuk brengt, dat wat het gewone doorkruist, het logische en vanzelfsprekende tegenspreekt, de zekerheid omver haalt, de pijn tegen alle verwachting in verzacht, nieuwe hoop geeft….

Ons laten overvallen, wat je weet loslaten en toelaten wat je allang niet meer had verwacht, waar je géén rekening meer mee gehouden had….

Een vonk die overspringt, naar een ander mens, vanuit de hemel….

Laten we daarop bedacht zijn, ruimte maken, open plekken laten, voor een vonk die overspringt…

Zo moge het zijn.

Ds. Rebecca Onderstal