Verhaal verteld bij de Zonnebloem, ter gelegenheid van de Nationale Ziekendag

Tekst: Lucas 5: 17-26

Rachel was al jaren ziek. Het begon met een beetje pijn in de rug. Niet over zeuren, dacht ze toen. Maar langzamerhand kreeg ze steeds meer pijn. En kon ze steeds minder. Niet meer ver lopen, niet meer tillen… Er was geen dokter die precies wist wat het was. Slijtage zeiden ze. Maar haar wereldje werd steeds kleiner.

En nu, na zoveel jaar, lag ze vaak alleen op bed, en luisterde naar de geluiden buiten. Ze hoorde de kinderen spelen, de moeders praten,…

Er waren wel vriendinnen die haar bleven opzoeken. Als ze tijd hadden… Ze begreep het best, dat ze zoveel te doen hadden. Maar er bleven nog zoveel uren over tussen de bezoeken, lege uren.

Soms stapte er opeens iemand binnen, op een morgen, en dan hadden ze een paar sterke mannen meegenomen. Die tilden haar dan met bed en al op, met twee man aan elke kant, en zo namen ze haar mee, naar buiten. Het voelde griezelig, om zo hulpeloos gedragen te worden. Maar ze genoot er altijd van om de zon en de wind te voelen, en de geuren van buiten te ruiken.

De moed om ooit beter te worden had ze allang opgegeven. Ze had al zoveel dokters gezien, zoveel mensen die aan haar gevoeld, op haar lichaam geduwd en erin geknepen hadden. Steeds weer dezelfde vragen en geen antwoorden. Ze had de moed opgegeven. Haar lichaam was waardeloos. En in de rest had ze ook niet veel vertrouwen…

Maar Sara, een goede vriendin, gaf de moed niet op. Ze bleef maar ideeën aandragen, mensen bedenken die haar misschien zouden kunnen helpen. Nu was Sara weer helemaal in de wolken over ene Jezus van Nazareth, die zoveel goeds deed voor zieken. Ze kwam er laatst over vertellen: hij hoefde ze maar aan te raken, of ze werden beter. Er gebeurden echt wonderen als die man in de buurt was…. zei Sara. Rachel had gezucht en haar gezicht naar de muur gedraaid…. “Laat mij maar..”

Daar hoorde ze de deur. Aan de stap kon ze horen dat het Sara was.

Druk pratend met grote gebaren kwam ze binnen. Het ging weer over Jezus…

“Hij is in de stad, ik heb het gehoord. En er zijn al heel veel mensen op de been om hem te zoeken.. we moeten snel zijn, dan zijn we nog op tijd. Ik heb al een paar sterke kerels geregeld, houd je maar vast dan gaan we..”

Rachel keek Sara verbluft aan “Wat zeg je..? Waar gaan we heen? Nu?”

“We gaan naar Jezus natuurlijk. Die kan jou vast wel helpen”.

En voor Rachel iets terug kon zeggen werden de mannen al binnen geroepen en werd ze van haar bed getild. Rachel sputterde nog wat, maar het hielp niets. Binnen de kortste keren was ze op straat, tussen allemaal mensen die dezelfde kant op liepen…

Het werd steeds voller in de straten, en op een gegeven moment kwamen ze haast niet meer vooruit. Sara met haar grote gebaren probeerde een weg te banen, maar het ging voetje voor voetje.

“Daar is het, in dat huis moet Jezus zijn”… het ging van de een naar de ander. Rachel die het eerst maar over zich heen had laten komen werd nu toch een beetje zenuwachtig. Wat zou er gebeuren? Zou er iets gebeuren?

“Kom, we gaan achterlangs, hier dit straatje in” zei Sara. Ze kwamen uit aan de achterkant van het huis. Daar stonden geen mensen te dringen, zoals aan de voorkant. Maar er was ook geen deur. Alleen een trap, naar het dak… “dan gaan we het dak op” zei Sara, en ze was al boven. De mannen droegen Rachel voetje voor voetje, treetje voor treetje omhoog, terwijl ze zich angstig vasthield. Ze hoorde Sara alweer roepen “Kijk, een gat in het dak! Ik zie Jezus staan…. Moet je voorstellen, zo dichtbij..”

Rachel keek ongerust. Wat zou Sara nu weer…. Ze maakten het gat groter door wat daktegels weg te halen, en ze instrueerde de mannen om touwen onder het bed door te halen…. En voor Rachel kon protesteren lieten ze haar heel voorzichtig naar beneden zakken. De mensen keken verbaasd omhoog, stopten hun verhitte discussie en maakten ruimte. Ze kwam zo voor Jezus’ voeten neer.

En wat deed hij? Jezus keek niet naar haar, maar hij keek omhoog. Naar de gezichten van Sara en de mannen die door de opening naar beneden keken. Sara kreeg er een kleur van, zag ze, en wilde snel wegduiken.

Jezus zei omhoog:

“Je hebt er goed aan gedaan om haar hier te brengen, haar niet te laten liggen. Om vertrouwen te hebben dat er nog iets mogelijk was.”

“Makkelijk ja,” dacht Rachel stiekem, “Vertrouwen… als je hier ligt denk je wel anders.” En gelijk schaamde ze zich voor haar gedachten.

Toen keek Jezus haar aan. Alsof hij wist wat ze dacht. Hij voelde niet aan haar lichaam, maar keek haar aan. En zag wat ze voelde, hij zag haar helemaal.Maar zonder haar te veroordelen. Hij zag haar geknakte vertrouwen, al die jaren van pijn, zonder uitzicht op genezing.

“Je vertrouwt je lichaam niet meer, je vertrouwt jezelf en het leven niet meer…”

Rachel knikte.

“Dat is niet erg. Kom, ik help je. Kijk me aan, ik heb vertrouwen in jou.”

Rachel voelde dat ze kracht kreeg. Dat ze zich niet meer alleen een ziek en onbetrouwbaar lichaam voelde, waardeloos. Het was alsof ze warm werd, alsof de warmte begon in haar hart en zich verspreidde door haar lichaam tot in haar tenen en de topjes van haar vingers.

“Kom sta maar op”, zei Jezus. Ze keek hem verbaasd aan, maar zette toch haar voeten op de grond. “Pak je bed maar op, en ga maar naar huis”. Daar stond ze, en het voelde heel gewoon. En tegelijk wist ze dat er een wonder was gebeurd. Haar matras raapte ze op, de mensen gingen opzij om haar door te laten.

“Waar is Sara”, dacht ze, “Ik moet naar Sara toe…”